Rens van Adrighem

door oud     Briellenaar     

Jan Beesemer leerde ik kennen tijdens de repetitie avonden voor het innamespel van de sinds 1966 jaarlijkse 1 aprilvieringen die Jan regiseerde.

Hij verzorgde ook altijd het geluid waar het 1 aprilspel werd opgevoerd

zowel in de openlucht als in binnenruimten.

Waar maar weinigen notie van hadden, was dat Jan in zijn kinderjaren een haast niet te bevatten, indrukwekkend oorlogsverleden had meegemaakt.

Zo erg dat hij zijn naam niet meer wist.

Jan sprak daar ook nooit over.

Na het behalen van zijn diploma voor automonteur is Jan gaan werken bij Garage Dorst in Oostvoorne als monteur en taxichauffeur. Daarbij heeft hij ook nog avondcursussen gevolgd voor elektriciën.

Jan kreeg kennis aan Bien van der Voorde en is toen bij haar vader gaan werken als elektriciën. Ze trouwden op 9 september 1958 en kregen 11 kinderen; Jacqueline, Anja, Ardi, Roos, Gertjan, Dick en Peter ( tweeling) , Marco, Mirjam, Dennis en Mignon.

Jan is in 1970 voor zichzelf begonnen. Naast het reparatie werk van huishoudelijke apparaten, verzorgde hij ook de geluidsinstallaties bij evenementen en regisseerde amateur toneel-gezelschappen. In 1962 assisteerde hij Frans Spuijbroek bij het klank en lichtspel “In naam van Oranje”. Vanaf 1966 zette hij zich in voor de jaarlijkse 1 April-feesten als geluidsman en regisseur van het inname spel en de overgave van de stad. In 1972 maakte hij de play-back geluidsbanden voor het spel “De tyrannie verdrijven” en assisteerde regisseur John van der Rest. In 1977 en 1978 regisseerde Jan het toneelstuk: “De zee en de wind voor vijand en vrind”, door ondergetekende geschreven en opgevoerd in de Jacobskerk. In 1979 regisseerde hij het toneelstuk “Slaet op den trommele”, dat opgevoerd werd in de Technische school. In 1980 regisseerde Jan het inname spel “De piraten komen”, op het Maarland Nz.

Jan werd door de spelers altijd zeer gewaardeerd. Ook bij mensen uit het vak, met name John van der Rest, - die Jan in 1972 assisteerde bij het spel “De tirannie verdrijven” - was zeer onder de indruk van Jan’s vakkundige en gedreven inzet bij het in korte tijd opzetten van het spel. John van der Rest schreef mij in een brief: “Wat Jan Beesemer met het geluidswerk heeft gepresteerd is echt ongelooflijk.”

Door Jan’s  overlijden op 11 augustus 1985, - hij was toen 52 jaar - kwam er een einde aan de alom gewaardeerde inzet van deze altijd optimistische en bovenal gedreven geluidsman en regisseur, die altijd met een groot optimisme de spelers en deelnemers enthousiast wist te krijgen en houden.

Vooral de oudere 1-aprilvierders zullen Jan herinneren als de gedreven en onvermoei-bare “Oostvoornse Briellenaar”, waarvoor niets teveel was.

Na de oorlog heeft men een bericht in de kranten gezet om er achter te komen wat de echte naam van Jan zou kunnen zijn. Zelf wist hij dat niet meer, omdat hij steeds andere namen had aan moeten nemen.

En zodoende zijn ze achter zijn echte naam Isaäc gekomen, maar de naam Jan is altijd zo gebleven.

De ouders van Jan, en zijn broer Jacob zijn op 28 januari 1944 in de gaskamers van Auschwitz om het leven gebracht. Vader was 38 jaar, moeder 37 jaar en Jacob 14 jaar.

Alleen Jan’s broer Absalon is levend terug-gekomen uit het concentratie-kamp, maar later in Haarlem in een sanatorium op 15 augustus 1951 aan TBC gestorven.

In mei 2010 bracht Jan’s broer Karel een boek uit met herinneringen aan zijn jeugd onder de titel: Hoe heette ik ook alweer?

In mei 2010 bracht Jan’s broer Karel een boek uit met herinneringen aan zijn jeugd onder de titel: Hoe heette ik ook alweer?




Door het uitbrengen van het boek “Hoe heette ik ook alweer?” door Karel, zijn de contacten met de familieleden - een familieband waar eigenlijk nauwelijks sprake van was door allerlei begrijpelijke omstandigheden als gevolg van de oorlog - weer enigszins hersteld.


Helaas heeft Jan dit niet meer kunnen meemaken.

Karel Beesemer, oud-wethouder van de gemeente

De Bilt, heeft zijn levensverhaal uit respect voor zijn in de concentratiekampen vermoorde familieleden en voor zijn kinderen geschreven.

Een sterke innerlijke drang begeleidde hem bij het schrijven van deze bijzondere lezenswaardige autobiografie.

Hij wil laten zien wie hij is: een man die door de mist van zijn tragedie naar zijn innerlijke waarheid zoekt.

Op indrukwekkende wijze beschrijft Karel Beesemer in het boek de tragedie van de Joden-vervolging in de Tweede Wereldoorlog. Het is een belangrijke autobiografie van een Joods weeskind uit Amsterdam dat in een liefdevol pleeggezin in Renkum wordt opgevangen en op hogere leeftijd met zijn identiteit worstelt.


De titel van deze eerlijke autobiografie spreekt voor zichzelf. Een titel die ook van toepassing is op mijn vriend Jan Beesemer (Isaäc), door Karel Sjaak genoemd.

Het joodse gezin Beesemer: vader Leon Beesemer, geb. 20 mei 1905 te Amsterdam, en moeder Rozette Beesemer-Aap, geb. 21 december 1906 te Amsterdam, hadden toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, vijf kinderen.

Absalon, geb. 20 juli 1928, Jacob, geb. 14 september 1930, Isaäc, (Sjaak/Jan) geb. 21 juni 1933, Karel, geb. 2 maart 1935, en Hans (Johan), geb. 4 oktober 1938.

Foto rechts Jan op twee jarige leeftijd.

Abraham (Appie), die met zijn ouders en broer Jacob (Jaap) afgevoerd werd naar het concentratiekamp Auschwitz. Hij kwam als enige, doodziek door tbc terug en overleed aan de gevolgen daarvan op 15 augustus 1951 op 23 jarige leeftijd in een sanato-rium in Haarlem.

Johan (Hans) werd opgevangen door een katholiek gezin en werd daardoor niet opgepakt en overleefde de oorlog.

Johan woont in Lelystad.

Karel werd na verblijf op diverse onderduikadressen liefdevol opgenomen door de gereformeerde familie  Lourens in Renkum.

Karel woont in De Bilt.

Jan’s broers die de oorlog ook overleefden

Rens van Adrighem 

Juli 2010

Oud-archivaris Jac. Klok had kort voor Jans overlijden een vraaggesprek met Jan.

Een gesprek dat volgens de heer Klok mede indrukwekkend was,

omdat het bijna zakelijk, zonder merkbare emoties door Jan vertelt werd.

Jan verteld hoe in de bezettingstijd een overvalwagen voor het huis in Amsterdam stopte waaruit Duitsers sprongen en daarop naar binnen gingen en zijn moeder met andere leden van het gezin wegvoerden, de overvalwagen in. Hij zelf en twee broertjes die op dat moment blijkbaar buiten speelden, vonden onderdak bij hun buren.


Hoe kwam hij in Oostvoorne terecht? Na een zwerftocht bij, als hij wel geteld heeft 14 gezinnen, vond hij een permanente verblijfplaats bij de familie Van Herk (Zandweg 24) in Oostvoorne. Voor zijn aankomst aldaar was hij in alle provincies behalve Zeeland, ondergedoken geweest. Van een Amsterdams adres uit werd Jan op een bus gezet naar het Centraal Station, waar ''een man'' op  hem zou wachten. Dat bleek inderdaad het geval: naast die man stond een van de beide broertjes. Zij werden per trein naar Bilthoven gebracht.


Daar kwamen ze terecht bij Kees en Betsy Boeke. Jan heeft in die school/werkplaats enkele maanden doorgebracht. In een sfeer die wel heel bijzonder was: je leerde er wel, maar heel andere dingen dan op de gewone lagere school: zingen, o.a. voerden we samen de Mattheuspassion uit, pottenbakken, timmeren, plantenonderzoek onder een microscoop, enzovoorts. ''Het was fantastisch'' en je leraren mocht je gewoon bij hun voornamen noemen, toen al.


Helaas, alle onderduikers moesten op een bepaalde dag weg, omdat het verblijf daar te gevaarlijk werd: Kees Boeke die 'in het verzet zat', werd al eens eerder weggehaald. Na die Bilthovense tijd zijn de twee broertjes uiteen gegaan; de een kwam in Renkum terecht, Jan in 's Gravenmoer (Langstraat), bij een kruidenier. Toen hij ook daar verdwijnen moest, belandde Jan bij een broer van de kruidenier. Maar ook daar werd het onveilig, toen een buurman, wethouder, opgepakt werd wegens radiobezit.


Zou die man wel kunnen zwijgen? Naar Rotterdam, bij een timmerman, vriend van Kees Boeke. Vandaar, o.a. met een roeiboot overgezet naar de Bisbosch, voor twee dagen. (Jan kreeg een pistool in de handen gedrukt om in geval dat er Duitsers kwamen, hij moest schieten.) Teruggeroeid en op de trein gezet naar Helmond, waar hij bij een boer werd ondergebracht. Van daaruit naar Friesland.


Na een wirwar van andere onderduikplaatsen, kwam Jan in Rotterdam bij een brandweerman terecht, Eland geheten. Van Rotterdam uit werd Jan, begeleid door een familielid, ook Eland, met het stoomtrammetje naar Oostvoorne vervoerd. ''Denk er om, als we de Spijkenisserbrug over gaan, komt een Duitser ons controleren. Dan ben je een hongerkind uit Rotterdam''. Was je niet erg bang, bij dit soort gebeurtenissen, vroeg de heer Klok. ''Ach neen, het leven ging voor een groot deel als een droom aan je voorbij. Maar je had wel steeds één ding voor ogen: zorg dat je overleeft. Want wij wisten langzamerhand wel dat Joden vergast konden worden en verbrand. Vader was al in Amsterdam gefusilleerd''.


‘’Zo kwam ik dus bij de familie Van Herk terecht, eersteklas mensen. Ik werd er helemaal als kind opgenomen. Soms waren er wel 16 tot 20 onderduikers in huis, vooral mannen die vreesden tewerkgesteld te worden in Duitsland. Op een dag kwamen buren waarschuwen dat deZandweg afgezet werd: razzia op komst. Van Herk had een soort schuilhut in het hooi, op de zolder gemaakt. De volwassen onderduikers stoven de trap op, naar de ''hut''. Kussens en dekens werden haastig weggestopt. Ikzelf, toen 9 jaar, mocht gewoon blijven liggen. De Duitsers zochten ook de hooizolder af, tevergeefs. Wonderlijk genoeg zagen ze een kussen dat in de haast onderweg was blijven liggen, over het hoofd''.


Je hebt toch  ook nog onderwijs gehad, niet waar? Was je niet ver achter geraakt? ''Ja, ik ging als Jan Broekhuizen, een Rotterdams kind, naar de Christelijke school van meester Koopmans. Achter was ik wel, ja, m'n laatste lessen had ik bij Kees Boeke gehad en daar ging het over heel andere dingen dan je op een gewone school leerde. Ik kwam in de derde klas bij ''juffie'' Barik (ze was nogal klein) en daarna, in 4, 5 en 6 bij meester Koopmans''. Bij de bevrijding bleek Jan zijn eigen naam vergeten te zijn - na de zwerftocht bij al die adressen, waar hij telkens weer anders moest heten. De Van Herks ontdekten na de bevrijding een advertentie van een Joodse instantie die verzocht om opgave van  ondergedoken Joodse kinderen.


Door de correspondentie daarmee kwam Jan's ware naam aan het daglicht: Izaak Beesemer. Zo ontstond tevens een contact met een Oom die nog in leven was gebleven en met de twéé broertjes, van wie de een in Leiderdorp, de ander nu in Lelystad woont. Nog is later een andere broer, de oudste uit een Duits concentratiekamp teruggekeerd; ernstig tuberculeus; 5 jaar later stierf hij.


Hier eindige Jan Beesemers verhaal, dat mede indrukwekkend is, omdat het bijna zakelijk, zonder merkbare emoties door hem wordt verteld. Korte tijd daarna, in 1985 is hij overleden, zijn weduwe Bien achterlatend met 11 kinderen, van wie enkelen nog thuis woonden.

Jan’s jeugd mag zeer schokkend genoemd worden.

Het is onvoorstelbaar wat er in zo’n kinderziel moet zijn omgegaan en wat dat voor invloed

op zijn leven gehad moet hebben.

Op mij persoonlijk heeft het in elk geval diepe indruk gemaakt en vind het bewonderenswaardig

hoe Jan zijn leven op een respectvolle wijze heeft weten te leven.

Rens van Adrighem   

Jávea 2008

Met dank aan Jan’s vrouw Bien en schoonzus Joke,

die het mij mogelijk maakten deze biografie samen te stellen.

Jan Beesemer

Biografie Jan Beesemer

Jan werd geboren geboren als Isaäc Beesemer op 21 juni 1933 en groeide op in de Rivierenbuurt in Amsterdam, Dorssenburgstraat 28 III, de plek waar ook Anne Frank woonde. Het was een volkswijk waar veel Joden woonden. Het Joodse gezin Beesemer bestond uit vader Leon Beesemer, geboren 20 mei 1905 te Amsterdam, en moeder Rozette Beesemer-Aap, geboren 21 december 1906 te Amsterdam.

Het huwelijk tussen hun ouders was voor de oorlog uitbrak al zo goed als ontbonden. Vader Leon was een scharrelaar, een kleine zakenman.

De ene keer deed hij in kinderspeelgoed, de keer daarna verkocht hij fietsen. Hij was altijd weg, ze zagen elkaar zelden. Feitelijk hadden de jongens geen vader, wel een moeder, Rosette, die veel warme gevoelens bij de jongens opriep. Ze was liefdevol en probeerde op haar manier vijf zoons op te voeden. Ze hadden het niet breed.

In 1941 kwam een stoet overvalwagens van de moffen de straat in rijden. Huis aan huis werd er door zwaarbewapende soldaten met geweerkolven op de deuren geramd: raus, raus! Moeder Beesemer was overstuur, maar had wel een plan. Ze zei tegen Jaap en Appie die thuis waren, dat ze niet open moesten doen. Zij ging op bed liggen en deed alsof ze een besmettelijke ziekte had. Maar bij hen werd niet op de deur gebonsd. Misschien dat de auto’s vol waren. Duidelijk was wel dat er iets moest gebeuren. Ze gingen onderduiken.

Het gezin werd uit elkaar gerukt. Op dat moment speelde Jan met zijn jongere broertjes Karel en Hans buiten. Zij werden gewaarschuwd dat ze niet naar huis moesten gaan en meegenomen. Of het gewoon een goede burger was die ze meenam, of iemand van het verzet, is niet bekend. Daardoor zijn ze uiteindelijk niet opgepakt.

Verschillende mensen hebben zich toen over Jan, Karel en Hans ontfermd. Toch heeft Jan zijn ouders nog één maal gezien. Het vermoeden is dat de Duitsers wisten dat het gezin uit meerdere personen bestond en dat ze de ouders en de kinderen wilden testen. Zijn moeder en misschien ook zijn vader en waarschijnlijk ook andere ouders, werden in het klaslokaal binnen gebracht waar Jan op school zat. Jan en de andere kinderen waren geïnstrueerd dat ze niet mochten laten merken dat ze de mensen die de klas binnen kwamen kenden.

Van een Amsterdams adres uit werd Jan op de bus gezet naar het Centraal Station, waar ''een man'' hem zou opwachten. Dat bleek inderdaad het geval: naast die man stonden zijn broertjes Karel en Hans en ze werden per trein naar Bilthoven gebracht. Daar kwamen ze terecht bij Kees en Betsy Boeke. In die school/werkplaats heeft Jan enkele maanden doorgebracht in een sfeer die wel heel bijzonder was. Je leerde er wel, maar heel andere dingen dan op de gewone lagere school: zingen, onder andere voerden we samen de Mattheuspassion uit, pottenbakken, timmeren, planten-onderzoek onder een microscoop, enzovoorts. Jan vond het fantastisch. Je leraren mocht je gewoon bij hun voornamen noemen. Helaas, moesten alle onderduikers op een bepaalde dag weg omdat het verblijf daar te gevaarlijk werd: Kees Boeke die 'in het verzet zat', werd al eens eerder weggehaald.

Na die Bilthovense tijd zijn Jan en zijn broertjes uiteen gegaan. Zij kwamen in Renkum terecht, Jan in 's Gravenmoer (Langstraat), bij een kruidenier. Daar moest hij ook weer verdwijnen en belandde hij bij een broer van de kruidenier.

Maar ook daar werd het onveilig toen een buurman, een wethouder, opgepakt werd wegens radiobezit. De grote vraag was of die man wel zou kunnen zwijgen, dus op naar Rotterdam, een timmerman, een vriend van Kees Boeke. Vandaar moest hij weer vluchten en is toen met een bootje, met nog meer vluchtelingen, in de Biesbosch terecht gekomen.

Daar kreeg hij als klein jongetje een wapen in zijn hand gedrukt en moest schieten als de Duitsers soms achter hen aan kwamen. Na twee dagen zijn ze terug geroeid en werd Jan op de trein gezet naar Helmond, waar hij bij een boer werd ondergebracht.

Van daaruit naar Friesland. In een jaar tijd woonde Jan op 14 verschillende adressen, steeds weer op de vlucht omdat men bang was dat hij gevonden zou worden.

Na een wirwar van andere onderduikplaatsen, kwam hij in Rotterdam bij een brandweerman, Eland geheten terecht.

Van Rotterdam uit werd hij, begeleid door een familielid van Eland, met het stoomtrammetje naar Oostvoorne vervoerd. Die man waarschuwde:’’Denk er om, als we de Spijkenisserbrug over gaan, komt een Duitser ons controleren. Dan ben je een hongerkind uit Rotterdam’’. Bang was Jan niet bij dit soort gebeurtenissen, het leven ging voor een groot deel als een droom aan hem voorbij. Maar hij had wel steeds één ding voor ogen: zorg dat je overleeft, want hij wist langzamerhand wel dat Joden vergast en verbrand konden worden.

Na een zwerftocht bij vele gezinnen vond hij na de rit met het trammetje een permanente verblijfplaats bij de familie Van Herk (Zandweg 24) in Oostvoorne. Die hadden al enkele kinderen en Jan kon daar ook nog wel bij. Hij was toen ongeveer negen jaar.

Vóór zijn aankomst daar was hij in alle provincies behalve Zeeland, ondergedoken geweest. De familie Van Herk waren eersteklas mensen. Jan werd er helemaal als kind opgenomen. Soms waren er wel 16 tot 20 onderduikers in huis, vooral mannen die vreesden tewerkgesteld te worden in Duitsland.

Op een dag kwamen buren waarschuwen dat de Zandweg afgezet werd: razzia op komst. Van Herk had op de zolder een soort schuilhut in het hooi gemaakt. De volwassen onderduikers stoven de trap op, naar de ''hut''. Kussens en dekens werden haastig weggestopt. Jan, toen 9 jaar, mocht gewoon blijven liggen. De Duitsers zochten ook de hooizolder af, tevergeefs. Wonderlijk genoeg zagen ze een kussen dat in de haast onderweg was blijven liggen, over het hoofd.

Jan ging als Jan Broekhuizen, een Rotterdams kind, naar de Christelijke school van meester Koopmans. Hij was wel achter geraakt wat leren betreft. Zijn laatste lessen had hij bij Kees Boeke gehad en daar ging het over heel andere dingen dan wat je op een gewone school leerde. Jan heeft samen met Joke van der Voorde op school gezeten.

In de derde klas zat hij bij ''juffie'' Barik die nogal klein was. In de klas zat nog een andere Joodse jongen. Die is vrij vlug weer van school gehaald omdat hij een erg Joods uiterlijk had. De fam. van Herk had twee joodse jongens in huis, en heeft hem toen op een ander adres ondergebracht. Jan zat daarna in klas 4, 5 en 6 bij meester Koopmans'.

Jan’s moeder is met zijn broer Jaap in 1944 bij een razzia opgepakt en met vele anderen bijeengebracht in de Hollandse Schouwburg. Van daaruit op 12 januari naar Westerbork overgebracht en op 25 januari gedeporteerd naar Auschwitz waar ze op 28 januari 1944 bij aankomst in Auschwitz meteen in de gaskamers werden omgebracht.

Vader Leon is apart gearresteerd en hem wachtte hetzelfde lot. Vader was 38, moeder 37 en Jacob (Jaap) 13 jaar. Alleen Jan’s broer Absalon (Appie) is levend teruggekomen uit het concentratiekamp.

Jan is dus samen met zijn broertjes Karel en Hans die jonger dan Jan waren, gespaard gebleven. Karel en Hans hebben ook veel meegemaakt en waren in diverse pleeggezinnen opgenomen.

Broer Appie overleefde het kamp, maar was zo verzwakt dat hij later alsnog overleed aan tbc.

Het waren heel verschillende jongens omdat ze uiteenlopende opvoedingen hebben gehad. Johan (Hans) werd opgevangen door een katholiek gezin en werd daardoor niet opgepakt en overleefde de oorlog. Karel werd na verblijf op diverse onderduikadressen opgenomen door de liefdevolle gereformeerde familie Lourens in Renkum.

Hans en Karel overleefden net als Sjaak (Jan) de oorlog. In totaal zijn door de nazi’s 77 van hun familieleden om het leven gebracht.’’

Jan is dus samen met zijn broertjes Karel en Hans die jonger dan Jan waren, gespaard gebleven. Karel  en Hans hebben natuurlijk ook veel meegemaakt en waren in verschillende pleeggezinnen opgenomen.

Verdere levensloop